Break a leg, of toch maar niet. Voetbal als theater

felix-mooneeram-222805-foto voetbal:theater.jpg

Of ik een woordelijke bijdrage over voetbal voor mijn rekening zou willen nemen? Zou het dan nog van me af te lezen zijn dat ik ooit, in een ver verleden, een poos heb gedweept met … paars-wit - nu ja, ik beken, vooral met Marc Degryse. Tijdelijk zagen mijn ouders het zelfs door de vingers om te betalen voor een abonnement op een voetbalmagazine, terwijl het mij toch echt enkel maar om de foto’s te doen was. En hoewel de kleuren wellicht vloekten met mijn rode winterjas, breide oma op simpel verzoek toch een sjaal in mijn lievelingskleuren van het moment.

Maar wat keek ik ernaar uit om met mijn zus op een koude zondagnamiddag te worden afgehaald door mijn peter om samen naar een match te gaan. Om daar, in de kou, vooral te hopen op de troostende warmte van een dampende hamburger achteraf. Tijdens de wedstrijd verdeelde ik mijn blik tussen het plein en mijn peter. Want van de spelregels had ik niet al te veel kaas gegeten. Dus joelde ik als hij joelde. En sakkerde ik wanneer hij dat deed. En toen Marc Degryse de poorten van het Astridpark achter zich sloot, vond ook ik dat het welletjes was geweest. Ik ging zelfs niet voor een transfer van mijn supporterschap richting Sheffield, maar zette mijn carrière als voetbalfan, en de occasionele wedstrijduitjes, vroegtijdig stop.

Nu, jaren later, geef ik nog steeds niet erg veel om voetbal. Als je me al op een zitje vindt, dan zal dat eerder voor een concert of toneelvoorstelling zijn. Al zijn er, als ik er zo over nadenk, verdacht veel parallellen te vinden tussen de wereld van het theater en het voetbal. En dan heb ik het niet alleen over het toneel dat al eens wordt opgevoerd door een voetballer die ‘valt’ na een contact met een tegenstander. De gelijkenissen schuilen ook in vele andere aktes van de opvoering, die nu eens uitmondt in een heuse tragedie, dan weer meer weg heeft van een komedie. Gebracht door professionele of amateurgezelschappen. Met de grasmat als wekelijkse scène voor rondreizende of vaste voetbalgezelschappen uit binnen- en buitenland. 

Olympique Marseille of Olympique Dramatique? KRC Genk of het nieuwstedelijk? Voor wie heb je een kaartje kunnen bemachtigen? De witte krijtlijnen bakenen de grenzen van het buitenspel af waarbinnen de twee gezelschappen, elk met elf spelers, 90 minuten lang het beste van zichzelf mogen geven. Met de goals als sobere, maar onontbeerlijke rekwisieten. En de toeschouwers, op Genkse bodem vaak voltallige gezinnen, als trouwe bondgenoten op de week na week uitverkochte tribunes. De stadionlichten gaan aan. De acteurs maken zich in hun kleedkamers op om, na de laatste aanwijzingen van de regisseur, ten tonele te verschijnen. Break a leg is hier misschien niet helemaal op zijn plaats, maar toch: succes! De muziek gaat uit. Het fluitsignaal van de scheidsrechter klinkt. Het doek gaat open. Het publiek verstilt. Nu kan het beginnen: de eeuwige dialoog tussen protagonisten en antagonisten, het script dat het ene moment wordt gevolgd, en op andere momenten wordt verruild voor een sterk staaltje improvisatie. De spelers altijd in opperste concentratie, bewegend in een haast gestileerde choreografie. Op naar de overzijde. Waar de keeper als een deus ex machina wacht in een poging het noodlot af te wenden. Hoe de voorstelling verloopt, kan niemand voorspellen, hoe ze eindigt al helemaal niet. Emoties wisselen mekaar dan ook in ijltempo af: van uitzinnige vreugde tot pure onmacht en frustratie, af en toe worden er zelfs bittere tranen geplengd. Supporters gaan helemaal op in het spel en vertalen de emoties van hun helden als een Grieks koor voor al wie het wil horen. 

De regisseur staat aan de zijlijn. Wild gesticulerend in een poging het spel naar zijn hand te zetten, tierend wanneer de opvoering in een klucht dreigt te verzanden. Want in tegenstelling tot een toneelvoorstelling, kan dit stuk nooit hernomen worden. De scheidsrechter? Die valt nooit uit zijn rol. Hij houdt het hoofd koel en brengt af en toe zijn entr’acte wanneer hij een speler tot de orde roept. Voor wie kraait de haan victorie en voor wie valt het doek? Zo gaat het op en af, heen en weer, net zolang tot het fluitsignaal opnieuw klinkt. Gelaten nemen de acteurs hun applaus in ontvangst, dat op hoogtijdagen net ietsje enthousiaster weergalmt dan op mindere dagen. 

Dan verlaat het publiek de tribunes. Napratend over wat zich zonet voor hun ogen heeft afgespeeld. En ik? Ik heb eigenlijk veel zin gekregen in een avondje voetbaltoneel. Als het even kan met een hamburger achteraf. Die vind je immers meestal niet in de foyer van een cultuurcentrum. Wie bemachtigt een ticket voor me en neemt me mee op sleeptouw? Misschien is er zelfs wel iemand die een blauw-witte sjaal voor me wil breien …

(Dit stuk is verschenen in Dada Magazine)

Tekst: Hilde Neven